“Elke
vogel zingt zoals hij gebekt is.” Verschrikt keek ze op. “Vogel
zingt zoals hij gebekt is?” Met grote ogen staarde ze juf aan. Wat
kon ze bedoelen met “Vogel zingt zoals hij gebekt is?” “Vogel
zingt.”, dat begreep Elke nog. “Zoals hij gebekt is” was haar
een raadsel en wat zij er mee te maken had wist ze al helemaal niet.
“Elke,
ik had het tegen jou.” “Vogel zingt zoals hij gebekt is”, zei
Elke. “Waar zit je weer me je gedachten?” “Euh”, stamelde ze.
Ze zat te denken aan die vogel, dat zingen met die bek en wat zij er
mee te maken had maar dat kreeg ze niet gezegd. Ze stamelde enkel
euh. Juf vroeg Simon dan maar wat het betekende dat de appel niet ver
van de boom viel.
Elke
keek opzij en zocht de ogen van haar tweelingzus. Wanneer ze haar zus
zag, wist Elke dat die er nog steeds was en dat alles wel goed zou
komen.